07/05/2021 - Doet een juiste inschrijving in de KBO er anno 2021 nog toe?

Ondernemingen en rechtspersonen zijn wettelijk verplicht zich via een ondernemingsloket in te schrijven in de Kruispuntbank van Ondernemingen (KBO), waarna zij een uniek identificatienummer krijgen, het zgn. ondernemingsnummer (in vervanging van het vroegere handelsregisternummer).

Deze inschrijving omvat naast de identiteitsgegevens, (o.m.) ook de registratie van alle economische activiteiten die de inschrijver uitoefent. Dit gebeurt aan de hand van NACE-codes (algemene Nomenclatuur van de EConomische Activiteiten in de Europese Gemeenschappen, in België : NACEBEL). Zo is bijvoorbeeld de economische activiteit van een bouwarchitect gekend onder NACE-code 71.111 terwijl NACE-code 5610 dan weer betrekking heeft op de activiteiten van restaurants, mobiele eetgelegenheden, enz..

Wat door ondernemers nogal eens over het hoofd wordt gezien is dat de inschrijving in de KBO actueel moet blijven en aanpassing behoeft, bijvoorbeeld wanneer het aanbod van diensten van de onderneming wordt uitgebreid (maar ook wanneer de aard van de activiteiten wordt aangepast of reeds eerder geregistreerde activiteiten in bijkomende vestiging(en) gaan uitgeoefend worden).

Zoals zo vaak zit het venijn ook hier in de staart, zodat de negatieve gevolgen van de vergeten of onaangepaste inschrijving pas pijnlijk duidelijk dreigen te worden op het ogenblik dat een onbetaalde factuur voor de rechtbank moet worden ingevorderd.

Zo voorzag art. III, 26 van het Wetboek van Economisch Recht (WER) tot twee jaar geleden, dat een vordering die gesteund was op een economische activiteit waarvoor de eisende onderneming geen inschrijving kon aantonen in de KBO, onontvankelijk was. Dit had als gevolg dat de rechtbank geen uitspraak ten gronde kon doen, de klant bijgevolg niets moest betalen en de gerechtskosten ook nog eens voor rekening van de eiser bleven.

Aldus kreeg een uitbater van een bandencentrale het deksel op de neus toen hij een onbetaalde factuur voor het lassen van een dakdrager via de rechtbank wou invorderen, omdat hij wel ingeschreven was als bandencentrale maar niet tijdig een aanvullende inschrijving had genomen in de KBO onder de Nacebelcode 29320 : ‘vervaardiging van andere delen en toebehoren van motorvoertuigen’.

Ondertussen heeft de wetgever bij wet van 2 mei 2019 tot wijziging van het Wetboek van Economisch Recht (B.S. 17 mei 2019) het bewuste artikel III.26, §2 WER met ingang van 27 mei 2019 geschrapt en daarmee de sanctie van de automatische onontvankelijkheid ongedaan gemaakt.

Probleem opgelost zou u denken ...

Niet echt, want het uitoefenen van een niet of niet correct in de KBO ingeschreven economische activiteit wordt in het WER nog steeds strafrechtelijk gesanctioneerd met een geldboete van 26 tot 10.000 euro (te vermenigvuldigen met een factor 8 als gevolg van de zgn. opdeciemen).

Niet zozeer het risico op een boete maar wel het gegeven dat de uitoefening van een niet in de KBO ingeschreven economische activiteit op zich een misdrijf uitmaakt, heeft potentieel grote implicaties.

Een overeenkomst over een dergelijk ‘misdrijf’ (lees: de uitoefening van een economische activiteit zonder corresponderende inschrijving in de KBO) - en dus in overtreding met een strafwet van openbare orde- is immers van nature ongeldig en kan daarom geen positieve gevolgen hebben.

Een vordering voor de rechtbank die op een dergelijke ongeldige overeenkomst gesteund wordt, bv. in betaling van een factuur of omgekeerd tot gedwongen afgifte van goederen, is … (u had het ongetwijfeld al geraden) … onontvankelijk.

Het blijft dus ook vandaag nog belangrijk uw inschrijving in de KBO up to date houden.

Raad : zorg voor een zo ruim mogelijke inschrijving met alle voor u potentieel bruikbare Nacebel-codes. Op die manier beperkt u uw inschrijvingskosten. En onderneming is immers niet verplicht de activiteiten waarvoor inschrijving werd genomen, ook effectief uit te oefenen.

Better safe than sorry!

22/04/2021 - Vervanging van een niet of slecht presterende aannemer (Cass. 18/6/2020)

Wanneer u als opdrachtgever of als hoofdaannemer geconfronteerd wordt met een slecht- of niet presterende (onder)aannemer kan de noodzaak zich stellen de werken door een andere aannemer te laten uitvoeren.

Wanneer de oplossing van een vervangingsprocedure voor de rechtbank te laat dreigt te komen , aanvaardt de rechtspraak traditioneel de zgn. ‘buitengerechtelijke vervanging’ op eigen risico met de mogelijkheid van gerechtelijke recuperatie van de vervangingskosten en een rechterlijke controle op de regelmatigheid van de doorgevoerde vervanging pas achteraf.

Het Hof van Cassatie heeft het toepassingsgebied voor de buitengerechtelijke vervanging bij arrest van 18/6/2020 gevoelig uitgebreid tot andere ‘uitzonderlijke omstandigheden’ dan de hoogdringendheid. Te denken valt bijvoorbeeld aan een manifeste onwil of een flagrante onkunde van de aannemer.

Let wel , voor de regelmatigheid van de buitengerechtelijk vervanging wordt nog steeds vereist:

  1. De organisatie van een voorafgaande tegensprekelijke vaststelling van de staat van de werken en de gebreken
  2. Een voorafgaandelijke ultieme ingebrekestelling van de aannemer om zelf over te gaan tot herstel met toekenning van een redelijke uitvoeringstermijn
  3. Finaal de schriftelijke verwittiging van de aannemer (1) dát hij werd vervangen, (2) met opgave van de tekortkomingen en (3) de motivering van de keuze voor de buitengerechtelijke vervanging.

Het Hof van Cassatie heeft in hetzelfde arrest de sanctie voor een ongegronde of onregelmatige buitengerechtelijke vervanging evenwel gemilderd.

Anders dan voorheen zal de opdrachtgever ook in dat geval recht hebben op een schadevergoeding, maar deze wordt beperkt tot de schade als gevolg van de wanprestatie van de vervangen aannemer en niet de integrale vervangingskost. Om deze vergoeding te bepalen zal de winstmarge van de aangestelde derde-aannemer in mindering gebracht op de integrale vervangingskost.

18/03/2021 - De verjaring van huur- en andere periodieke schulden

Recent werd de vraag gesteld: 'Ik word gedagvaard in betaling van achterstallige huurgelden die teruggaan tot bijna acht jaar geleden. Kan dat?'

(De vraagsteller was aannemer en had acht jaar geleden een machine gehuurd die hij nooit had teruggebracht en uiteindelijk zelfs weggegooid.)

Het antwoord op deze vraag: Neen, dat kan in principe niet.

Artikel 2277 O.B.W. (Oud Burgerlijk Wetboek) bepaalt daarover:

Termijnen van altijddurende renten en van lijfrenten; Schuldvorderingen wegens levering van goederen en diensten via distributienetten voor water, gas of elektriciteit of de levering van elektronische communicatiediensten of omroeptransmissie- en omroepdiensten via elektronische communicatienetwerken verjaren na verloop van vijf jaren; Schuldvorderingen van buitengewone kosten bedoeld in artikel 203bis, § 3. Die van uitkeringen tot levensonderhoud; Huren van huizen en pachten van landeigendommen; Interesten van geleende sommen, en, in het algemeen, al hetgeen betaalbaar is bij het jaar of bij kortere termijnen; Verjaren door verloop van vijf jaren.

Deze wetsbepaling bevat een opsomming bij wijze van voorbeeld en heeft een algemene draagwijdte door de verwijzing naar ' al hetgeen betaalbaar is bij het jaar of bij kortere termijnen, bijvoorbeeld maandelijks.

Dit betekent dat in regel élke vordering tot betaling van prestaties die ' betaalbaar zijn bij het jaar of bij kortere termijnen' zoals bijvoorbeeld de maandelijkse huurgelden voor de huur van een machine (waarover het hier ging), in principe verjaart na verloop van vijf jaren (tenzij een bijzondere wetbepaling in een specifiek geval zou voorzien in een uitdrukkelijke uitsluiting van de algemene regel van art. 2277 O.B.W.).

In ons voorbeeld kan de verhuurder dus maar maximaal tot 5 jaar aan achterstallige huurgelden invorderen. Al de huurgelden die langer dan 5 jaar vervallen zijn blijven verworven voor de huurder die ze niet zal moeten betalen.

In omgekeerde richting geldt dat dan weer niet. De verhuurder die gedurende 8 jaren ten onrechte huur zou zijn blijven ontvangen zal deze wél integraal moeten terugbetalen.

De vijfjarige verjaringstermijn werd immers niet van toepassing geacht op ten onrechte betaalbare bedragen omdat de verplichting van de verkrijger niet bestaat in periodieke uitkeringen maar wel in een verplichting tot teruggave van onrechtmatig ontvangen bedragen (Cass. (3e k.) AR S.00.0164.N, 21 mei 2001).

LET OP: de regel die zegt dat de rechter de verjaring niet ambtshalve mag toepassen (in art. 2233 O.B.W. om precies te zijn) geldt ook voor de vijfjarige verjaringstermijn van art. 2277 O.B.W. (Cass., 15 maart 1877, Pas., 1877, I, 281).

Dat wil zeggen dat de huurder in ons voorbeeld de verjaring voor de rechtbank actief zal moeten inroepen (en daar loopt het vaak fout), anders zal de rechtbank hem toch tot het nadragen aan de verhuurder van de volle 8 jaar huurgelden veroordelen.

Enkele andere voorbeelden uit de rechtspraak:

  • De kortere verjaring van art. 2277 O.B.W. is bedoeld als een sociale beschermingsmaatregel om schuldenaars te beschermen tegen de opeenstapeling van periodieke schulden. Ten aanzien van dat doel vertoont de schuld met betrekking tot de levering van mobiele telefonie/gsm-abonnementen gelijkenissen met de schulden bedoeld in artikel 2277 O.B.W. en is zij ook onderworpen aan de 5 jarige verjaringstermijn (Grondwettelijk Hof nr. 13/2007, 17 januari 2007 (prejudiciële vraag); Cass. AR C.09.0410.F, 25 januari 2010).
  • Artikel 2277 O.B.W. is van toepassing op de overeengekomen interest van gewone schuldvorderingen (Cass. AR C.95.0126.F, 24 mei 1996).
  • Wanneer een onderhoudsgerechtigde de gerechtelijke veroordeling heeft verkregen van de onderhoudsplichtige, dan is de vordering tot de tenuitvoerlegging van die veroordeling onderworpen aan de regels die de verjaring van vorderingen gesteund op gerechtelijke uitspraken beheersen en niet aan de regels die periodieke uitkeringen beheersen (Cass. (1e k.) AR C.99.0141.N, 8 december 2000; in dezelfde zin: Cass. (1e k.) 7 maart 2003). Voor achterstallige onderhoudsuitkeringen geldt de korte verjaringstermijn van art. 2277 O.B.W. dus niet.
  • Een schuld waarvan het bedrag vaststaat en in éénmaal betaalbaar – zoals de opzeggingsvergoeding – valt evenmin onder toepassing van art. 2277 O.B.W., die er meer in het bijzonder toe strekt de schuldenaar te beschermen tegen de toename van zijn schuld (Cass. (1e k.) AR C.99.0401.F, 29 maart 2001).
  • De vergoeding voor een bezetting zonder recht of titel die vastgesteld wordt door de rechter, heeft geen periodiek karakter en valt aldus niet onder de toepassing van art. 2277 O.B.W. (Cass. (1e k.) AR C.00.0624.F, 16 november 2001).

Strafrecht – Bijzondere verbeurdverklaring van de netto of bruto vermogensvoordelen uit een misdrijf?

De verbeurdverklaring is een bijkomende straf waarbij de rechter het eigendomsrecht over bepaalde goederen (bijvb een geldsom) afneemt van de veroordeelde.

Volgens artikel 42 van het strafwetboek wordt de bijzondere verbeurdverklaring onder meer toegepast op de zgn. ‘vermogensvoordelen die rechtstreeks uit het misdrijf zijn verkregen’.

Een schoolvoorbeeld hiervan zijn de opbrengsten van drugdealers.

Klassiek zal het Openbaar Ministerie naast een gevangenisstraf en een geldboete, tevens de verbeurdverklaring vorderen van deze opbrengsten, die doorgaans (o.g.v. art. 43bis, al. 2 sw) geraamd worden op de bruto-verkoopwaarde vermenigvuldigd met de geraamde hoeveelheid over een gegeven periode en dus zonder de kosten die de drugsdealer zelf heeft gemaakt in rekening te brengen.

In een vonnis van 8 augustus 2018 heeft de correctionele rechtbank van eerste aanleg Oost-Vlaanderen, afdeling Gent evenwel geoordeeld dat dat geen automatisme is en dat het de rechter wel degelijk toegestaan is de verbeurdverklaring uit te spreken enkel van de netto-opbrengsten, gezien het facultatief karakter van de straf van de verbeurdverklaring :

"(…) Wat de berekening van de vermogensvoordelen betreft verwijst de rechtbank naar de voorbereidende werkzaamheden van de wet van 17 juli 1990 waaruit blijkt dat de wetgever de bruto-berekening zeker mogelijk achtte (Parl. St. Kamer 1989-90,nr. 987/1,5: "dat de rechter de brutowinst in aanmerking neemt en geen rekening moet houden met de kosten die het misdrijf voor de dader heeft meegebracht.")

De verbeurdverklaring van vermogensvoordelen is evenwel een facultatieve straf zodat de rechter nooit verplicht kan zijn om de verbeurdverklaring van het bruto bedrag uit te spreken. De strafrechter beschikt in het licht van de concrete omstandigheden over een feitelijke appreciatiebevoegdheid bij de raming van de vermogensvoordelen en is geenszins verplicht om ofwel een bruto-berekening ofwel een netto-berekening te volgen.

Het werkelijke vermogensvoordeel van de beklaagde blijft uiteraard beperkt tot de winst (en niet de omzet) die hij maakte met zijn drughandel.(…)"

(Met dank aan meester Henk De Kesel uit Gent voor het ter beschikking stellen van het vonnis)

19/09/2018

Vennootschappen – De algemene vergadering als onverbiddelijke rechter

N.a.v. een discussie tussen aandeelhouders over de onderlinge verdeling van de vordering in rekening-courant op de vennootschap, beslisten twee van hen het dispuut aan de algemene vergadering voor te leggen die daar vervolgens meerderheid tegen minderheid over heeft gestemd.

De daaropvolgende vordering van dezelfde twee aandeelhouders strekkende tot nietigverklaring van de uitgelokte beslissing (o.w.v. bevoegdheidsoverschrijding en misbruik van meerderheid), werd recent op 12 juni 2018 door de rechtbank van koophandel Gent, afdeling Kortrijk in hun nadeel beslecht.

Doordat de algemene vergadering niet bevoegd was voor de haar desalniettemin ter stemming voorgelegde betwisting, dient de genomen beslissing volgens de rechtbank immers niet als een ‘normaal’ besluit van de algemene vergadering beschouwd te worden, maar wél als een zgn. ‘bindende derdenbeslissing’, waarop de nietigheidsregeling van art. 64,3° W.Venn. geen toepassing vindt.

De motivering van de rechtbank is verhelderend en spoort aan tot voorzichtigheid.

Na eerst vastgesteld te hebben dat de betwisting tussen de aandeelhouders een burgerrechtelijke betwisting betrof waarvoor de hoven en rechtbanken bevoegd zijn en niet de algemene vergadering, oordeelde de rechtbank als volgt:

"(...) Bij brief van xx/xx/2017 hebben D en L, F verzocht om een B.A.V. bijeen te roepen. Zij verzochten o.m. om het volgende punt op de agenda te plaatsen:

"de vaststelling van de verdeling van de rekening-courant conform het aandelenbezit”

(...)

In die omstandigheden is het ook logisch dat de algemene vergadering over dit agendapunt gestemd heeft. Dit is immers het logische uitvloeisel van een beslissing om iets op de agenda te plaatsen.

Het loutere feit van een bepaald punt op de agenda van een algemene vergadering te plaatsen, impliceert uiteraard niet dat de verzoekende aandeelhouder zich bij voorbaat neerlegt bij het te nemen besluit.

Anders is dit evenwel wanneer het geagendeerde onderwerp manifest niet tot de bevoegdheid van de algemene vergadering behoort.

Wanneer de overige aandeelhouders ermee instemmen om over dit punt te stemmen, niettegenstaande dit niet tot de bevoegdheid van de algemene vergadering behoort, moet dit volgens de rechtbank beschouwd worden als een overeenkomst tussen de aandeelhouders om dit agendapunt bij meerderheid van stemmen te beslechten.

Het gaat dan bij gevolg juridisch gesproken niet om een beslissing van de algemene vergadering maar om een privaatrechtelijke overeenkomst tussen aandeelhouders om zich neer te leggen bij het resultaat van de stemming.

Nu overeenkomsten tot wet strekken, is de nietigheidsregeling van art. 64,3° W.Venn. hierop niet van toepassing. Dat de regels m.b.t. de algemene vergadering van dwingend recht zijn, zoals L aanvoert, doet aan het voorgaande geen afbreuk. Een overeenkomst tussen aandeelhouders kan immers niet beschouwd worden als een beslissing van de algemene vergadering, handelend als orgaan van de vennootschap.

Maar ook indien de beslissing van xx/xx/2017 wel als een besluit van de algemene vergadering zou moeten beschouwd worden, hetgeen volgens de rechtbank niet het geval is, kan er van een overschrijding van bevoegdheid of van een misbruik van meerderheid nog geen sprake zijn. In dat geval heeft de verzoekende aandeelhouder immers met kennis van zaken de beslissing genomen om dit twistpunt aan de algemeen vergadering voor te leggen (…)”

Of hoe een verwittigd aandeelhouder er twee waard kan zijn...

26/6/2018

Huur – automatisch drie maanden wederverhuringsvergoeding bij ontbinding ten laste van de huurder?

Artikel 1760 het Burgerlijk Wetboek bepaalt:

 

In geval van ontbinding van de huur door de schuld van de huurder, is deze verplicht de huurprijs te betalen gedurende de tijd die voor de wederverhuring nodig is, onverminderd de vergoeding van de schade die door het wangebruik mocht zijn veroorzaakt.

Het is omwille van dit artikel in het gemene huurrecht dat in het verleden door de meeste rechtbanken quasi standaard een bedrag gelijk aan drie maanden huur als wederverhuringsvergoeding werd toegekend aan de verhuurder in geval de ontbinding van de huurovereenkomst werd uitgesproken ingevolge wanprestatie door de huurder (bijvoorbeeld het niet betalen van de huurprijs).

De toekenning van de wederverhuringsvergoeding is op vandaag niet meer het quasi- automatisme van weleer.

Zo staat in een recent vonnis van 20 oktober 2017 van de rechtbank van eerste aanleg Oost-Vlaanderen, afdeling Gent te lezen :

‘De rechtbank stelt vast dat de huurovereenkomst tussen de partijen geen beding bevat omtrent de verschuldigde schadevergoeding in geval van ontbinding in het nadeel van de huurder. Aldus dient de werkelijke schade vergoed te worden.

In arresten van 26 januari 2007 besliste het Hof van Cassatie dat de rechter zich bij het begroten van de schadevergoeding bij ontbinding op het ogenblik van de uitspraak moet plaatsten (…). Bijgevolg moet de rechter zowel de hypothetische als de werkelijke situatie van de schuldeiser op het ogenblik van zijn uitspraak beoordelen. (…)

Ter terechtzitting (…) verklaarde de advocaat van de geïntimeerden dat het gehuurde goed onmiddellijk weer verhuurd werd. Huurgelden hebben de geïntimeerden aldus niet gemist. Wel kan ingegaan worden op het verzoek tot het toekennen van een vergoeding voor het tijdverlies en het achterna geloop dat door de niet-uitvoering van de overeenkomst werd veroorzaakt, zoals bijvoorbeeld de kosten verbonden aan briefwisseling, telefoons en administratie. Hiervoor kent deze rechtbank een ex aequo et bono vergoeding van € 150 toe. Het bestreden vonnis wordt in die zin hervormd.’

Als verhuurder is het dus van belang om in de huurovereenkomst een clausule te voorzien omtrent de omvang van de schadevergoeding die verschuldigd zal zijn in geval van ontbinding in het nadeel van de huurder.

Doet de verhuurder dat niet dan zal hij ingeval van een gerechtelijke procedure tegen de huurder zijn werkelijke schade moeten bewijzen, hetgeen niet altijd een sinecure zal zijn.

22/5/2018

Ondernemingsnummer – Het glas blijkt nooit halfvol

In een vonnis van 19 april 2017 dat kortelings in het TGR/TWVR verschijnt, heeft de Rechtbank van Koophandel te Gent een opmerkelijk bijdrage geleverd aan de groeiende rechtspraak over het belang van een correcte inschrijving van de activiteiten van een onderneming in de kruispuntbank van ondernemingen (KBO).

Volgens art. III.26, §2 van het Wetboek van Economisch recht (WER) is :

§ 2. Indien de handels- of ambachtsonderneming (…) is ingeschreven in de Kruispuntbank van Ondernemingen, maar haar hoofdvordering, (…), gebaseerd is op een activiteit waarvoor de onderneming op de datum van de inleiding van die vordering niet is ingeschreven (…), is de vordering van die onderneming onontvankelijk. De onontvankelijkheid is evenwel gedekt, indien ze niet voor elke andere exceptie of verweermiddel wordt ingeroepen.

Een invordering van facturen voor werken waarvoor de onderneming niet is ingeschreven in de KBO is dus (voor zover tijdig opgeworpen door de schuldenaar) onontvankelijk en zal door de rechtbank onverbiddelijk afgewezen worden, hetgeen menig ondernemer ondertussen al tot zijn schade en schade heeft kunnen ondervinden .

Maar wat als de invordering van uw factuur/facturen slechts deels betrekking heeft op activiteiten waarvoor u geen inschrijving heeft, naast andere waarvoor u wél bent ingeschreven in de KBO op het ogenblik van de dagvaarding?

Welnu, de rechtbank oordeelde dat in dergelijk geval toch de ganse vordering onontvankelijk zal zijn omwille van volgende overweging:

”Art. III.26 WER maakt echter geen onderscheid in het relatieve belang van een bepaalde activiteit in de totale vordering zoals opgenomen in de inleidende dagvaarding.”

”Art. III.26 WER bepaalt zonder enige vorm van onderscheid dat de eiseres op het ogenblik van de inleiding van de zaak een inschrijving in de KBO dient te hebben voor elke activiteit waarop haar vordering is gesteund.”

In casu was de eiser een aannemer van grondwerken ( Nacebel 43.120 – Bouwrijp maken van terreinen) die op de ingevorderde facturen naast grondwerken in zeer beperkte mate ook afbraakwerken (Nacebel 43.110 Slopen) had aangerekend, waarvoor hij geen inschrijving in de KBO had.

Deze uitspraak van de Rechtbank van Koophandel te Gent -hoewel zeker bekritiseerbaar-, spoort aan tot grote voorzichtigheid.

Ondernemers doen er enerzijds goed aan de activiteiten van hun onderneming grondig te analyseren om vervolgens de juiste inschrijvingen in de KBO te nemen.

Deze voorzichtigheid is zeker geboden voor vennootschappen wiens inschrijving in de KBO voor hen wordt geregeld door de griffie van de rechtbank van koophandel en waar niet zelden wordt vergeten om achteraf zelf de gegevens van de vennootschap in de KBO te laten vervolledigen.

Daarnaast is er echter ook voorzichtigheid geboden bij de juiste omschrijving van de prestaties op de factuur, al was het maar om ingeval van gerechtelijke invordering nodeloze interpretatieproblemen omtrent de aard van de gefactureerde prestaties te voorkomen.

3/6/2017

Mede-eigendom – Tegen uiterlijk 31 maart 2018 verplichte inschrijving syndicus in de KBO

Vanaf 1 april 2017 is elke Vereniging van Mede-Eigenaars wettelijk verplicht om de gegevens van haar syndicus te registreren in de Kruispuntbank van Ondernemingen van de FOD Economie (Koninklijk besluit van 15 maart 2017 betreffende de nadere regels voor de inschrijving van de syndicus in de kruispuntbank van Ondernemingen – B.S 24/03/2017

Voorheen was de enige manier om de syndicus van een gebouw te weten te komen ter plaatste te gaan kijken naar het verplichte formulier in de inkomhal.

Dat is thans verleden tijd. Iedereen zal binnenkort op eenvoudige wijze via de online tool KBO Public Search te weten kunnen komen wie de syndicus van een gebouw is.

Het betreft een aanvulling bij de inschrijving in de KBO van de Vereniging van Mede-eigenaars en dus geen aparte inschrijving van de syndicus zelf. (VME’s opgericht na 2010 hebben normaal gezien automatisch een ondernemingsnummer toegekend gekregen. Voor VME’s opgericht vóór 2010 dient er -mocht dat nog niet gebeurd zijn- eerst een ondernemingsnummer bekomen te worden bij het bevoegde hypotheekkantoor. Uw ondernemingsloket in de buurt kan u daar bij helpen.)

Aan het ondernemingsloket moet het ondernemingsnummer van de VME worden meegedeeld, een uittreksel uit de akte van aanstelling of benoeming van de syndicus, alsook het rijksregisternummer van de syndicus wanneer het gaat om een natuurlijke persoon dan wel het ondernemingsnummer wanneer het een vennootschap betreft.

In de KBO zal te zien zijn of de syndicus een natuurlijke persoon (met vermelding van naam en rijksregisternummer), dan wel een vennootschap is alsook de datum waarop de opdracht van de syndicus aanvangt.

De inschrijving, wijziging of doorhaling van de gegevens gebeurt door een ondernemingsloket naar keuze. De inschrijving kost € 85,50 (jaarlijks geïndexeerd op 1 januari). De verenigingen van mede-eigenaars die ingeschreven zijn in de Kruispuntbank van Ondernemingen op 1 april 2017, beschikken over een termijn van één jaar om de inschrijving van de syndicus te verwezenlijken en dit dus uiterlijk op 31 maart 2018.

21/05/2017

Beslag – Bewarend beslag op bankrekeningen in het buitenland

Op 18 januari 2017 trad de  Europese Verordening 655/2014 van 15 mei 2014 in werking tot vaststelling van een procedure betreffende het Europees bevel tot conservatoir beslag op bankrekeningen om de grensoverschrijdende inning van schuldvorderingen in burgerlijke en handelszaken te vergemakkelijken.

Schuldeisers kunnen thans van de gerechten van de lidstaat die bevoegd zijn om van het bodemgeschil kennis te nemen, de toelating verkrijgen om ten belope van een door de rechter bepaald bedrag over te gaan tot bewarend beslag op een bankrekening van de schuldenaar in een andere lidstaat van de EU (met uitzondering van Denemarken en het Verenigd Koninkrijk) en dit ongeacht of de schuldeiser al over een uitvoerbare titel jegens de schuldenaar beschikt of niet.

Deze nieuwe procedure voor grensoverschrijdend bewarend bankbeslag staat open voor schuldvorderingen tot betaling van een geldsom in burgerlijke zowel als handelszaken op enkele uitzonderingen na, zoals vorderingen uit hoofde van het huwelijksvermogensrecht, erfenissen of testamenten, vorderingen jegens gefailleerden, vorderingen uit hoofde van de sociale zekerheid en arbitrage.

De procedure zelf is eenzijdig, verloopt (in de regel) schriftelijk en wordt ingeleid door de indiening bij de bevoegde rechter van een standaardformulier waarbij bewijsstukken moeten worden gevoegd die aantonen dat :

  •  er dringend behoefte bestaat aan een bewarende maatregel in de vorm van een bevel tot conservatoir beslag, gelet op het reële risico dat, zonder een dergelijke maatregel, de latere inning van de vordering van de schuldeiser jegens de schuldenaar onmogelijk wordt gemaakt of wordt bemoeilijkt.
  •  En dat (tenzij men reeds over een uitvoerbare titel zou beschikken) zijn vordering tegen de
    schuldenaar waarschijnlijk gegrond zal worden verklaard.

Binnen de 30 dagen nadat het verzoek werd ingediend of binnen de 14 dagen na uitvaardiging van het bevel (al naargelang welke termijn de langste is), dient men de zaak tevens ten gronde aanhangig te maken bij gebreke waaraan de toelating wordt ingetrokken.

Wordt u omgekeerd als schuldenaar geconfronteerd met een Europees bewarend bankbeslag dan kan u dat op een gelijkaardige wijze aan de hand van een standaardformulier bestrijden  op voorwaarde dat men kan aantonen dat aan de voorwaarden voor het beslag niet was voldaan of indien het bevel niet correct zou zijn uitgevoerd. In voorkomend geval zal de schuldeiser zelfs aansprakelijk kunnen worden gesteld voor de schade die hij door het (onrechtmatig) beslag veroorzaakt zou hebben.

Webshop – nieuw fiscaal & sociaal statuut voor de online deeleconomie

Vanaf 1 juli 2016 geldt er een nieuw fiscaal en sociaal regime voor de diverse inkomsten uit de zgn. deeleconomie, in het nieuwe art. 90 1e bis W.I.B. 92 strikt omschreven als :

(…) winst of baten, die, buiten het uitoefenen van een beroepswerkzaamheid, voortkomen uit diensten, andere dan diensten die inkomsten genereren die overeenkomstig de artikelen 7 of 17 of het 5° van dit lid aan de belasting worden onderworpen, die door de belastingplichtige zelf worden verleend aan derden, wanneer aan alle onderstaande voorwaarden is voldaan:

a) de diensten worden uitsluitend verleend aan natuurlijke personen die niet handelen in het kader van hun beroepswerkzaamheid;

b) de diensten worden uitsluitend verleend in het kader van overeenkomsten die tot stand zijn gebracht door tussenkomst van een erkend elektronisch platform of een elektronisch platform dat door een overheid wordt georganiseerd.

c) de vergoedingen met betrekking tot de diensten worden enkel door het in b) vermelde platform of door tussenkomst van dat platform aan de dienstverrichter betaald of toegekend.(…)

Dergelijke dienstverleners kunnen thans -zolang een bepaald drempelbedrag niet wordt overschreven- rekenen op een gunstige fiscale behandeling en worden onder diezelfde voorwaarde ook niet onderworpen aan het sociaal statuut voor zelfstandigen.

Te denken valt aan bepaalde diensten door een belastingplichtige particulier aan een andere particulier zoals het verlenen van logies (bijvb. Airbnb) het verstrekken van vervoer (Uber), maar ook het doen van klusjes zoals het onderhouden tuinen of het repareren van fietsen edm., zolang deze overeenkomsten maar tot stand komen via een door de overheid erkend of zelf georganiseerd elektronisch platform. Diensten via bijvoorbeeld de zgn. repair- of ruilcafés die niet via een dergelijk elektronisch platform verlopen, zijn dus uitgesloten.

Onder de voorwaarden in het nieuwe art. 171 W.I.B. ’92 worden voornoemde diverse inkomsten tot een drempelbedrag van € 3.255 per belastbaar tijdperk (voor 2016 geïndexeerd tot € 5.000,- doch herleid tot de helft of € 2.500,- omdat het stelsel maar vanaf het tweede semester in werking is getreden) belast aan een aanslagvoet van 20%, na toepassing van een kostenforfait van 50% (art. 97/1 W.I. ’92). Eenmaal het drempelbedrag overschreven worden alle inkomsten weerlegbaar vermoed gewone beroepsinkomsten te zijn (art. 37 bis WIB ‘92).

Naast dit nieuwe fiscale regime, zijn de personen, die in België een activiteit uitoefenen die voornoemde diverse inkomsten uit de deeleconomie (onder de voorwaarden in art. 90 1e bis W.I.B. 92) genereren, ingevolge het nieuw artikel 5ter van het KB nr. 38 houdende inrichting van het sociaal statuut der zelfstandigen, voor die activiteit niet onderworpen aan het sociaal statuut der zelfstandigen voor zover de inkomsten daaruit voornoemd drempelbedrag van art. 37bis §2 WIB ‘92 niet overschrijden. Deze bepaling werd retroactief ingevoerd eveneens vanaf 1 juli 2016 (Programmawet van 1 juli 2016, BS 4 juli 2016).

Woninghuur - het huurwaarborgfonds

Per 1 januari 2014 heeft de Vlaamse Overheid een Huurwaarborgfonds voor Woning (!) -huurovereenkomsten opgericht.

Het Huurgarantiefonds komt onder bepaalde voorwaarden tussen voor een maximumbedrag van drie maanden huur geplafonneerd tot € 2.779, ingeval van betalingsachterstand van de huurder natuurlijke persoon (geen rechtspersoon).

Daartoe is vereist dat de verhuurder (natuurlijke of rechtspersoon) de woninghuurhuurovereenkomst binnen de 2 maanden na de ondertekening heeft aangegeven bij het huurwaarborgfonds, waarvoor een eenmalige aansluitingsvergoeding van € 77,- dient betaald te worden. Deze vergoeding mag niet worden doorgerekend aan de huurder. (De aansluiting kan schriftelijk gebeuren of digitaal via de website www.wonenvlaanderen.be volgens de instructies daar vermeld).

Ingeval van effectieve wanbetaling door de huurder t.b.v. drie maanden huur, beschikt deze laatste over een termijn van 20 kalenderdagen om een vordering tot ontbinding van de huurovereenkomst wegens huurachterstal en tot uithuiszetting in te leiden bij de Vrederechter. Bij de inleidende akte dient het attest van aansluiting en een verklaring op eer gevoegd te worden dat de verhuurder voor dezelfde huurovereenkomst nog geen tegemoetkoming van het fonds gekregen heeft.

Vervolgens bezorgt de verhuurder binnen de 10 werkdagen een kopie van de dagvaarding of van het afgestempelde exemplaar van verzoekschrift aan het Huurgarantiefonds, waarna deze laatste een gerechtsdeurwaarder zal aanstellen belast met het ontvangen en het opvolgen van de afbetalingen door de huurder.

De Vrederechter zal de huurder uitstel van betaling verlenen en hem een afbetalingsplan opleggen van maximaal 12 maanden te voldoen in handen van de gerechtsdeurwaarder aangesteld door het Fonds. De verhuurder (of diens advocaat) dient het vonnis en de kennisgevingsbrief binnen de tien dagen die volgen op de datum van de kennisgevingsbrief ter kennis te brengen van de door het Fonds aangestelde gerechtsdeurwaarder waarna deze de verdere opvolging van het afbetalingsplan zal waarnemen.

Het is pas als de huurder niet stipt betaalt in handen van de gerechtsdeurwaarder dat het Huurgarantiefonds op aangeven van de gerechtsdeurwaarder zal tussenkomen.

Het is echter geen verplichting van de huurder om zich bij het fonds aan te sluiten of om -ingeval van wanbetaling door de huurder- op de tussenkomst van het fonds beroep te doen. Zo zal de verhuurder er in sommige gevallen eerder belang bij hebben te trachten de huurder zo snel mogelijk te laten uitzetten bijvb. wanneer er naast de betalingsachterstallen ook sprake is van ernstige huurschade, overlast of zelfs criminele feiten vanwege de huurder.

Handelshuur – wettelijk kader voor pop-ups in vlaanderen

Op 1 september 2016 treedt het decreet van 17 juni 2016 houdende huur van korte duur voor handel en ambacht (B.S. 26 juli 2016) in werking.

Hiermee valt voor eigenaars een belangrijke drempel weg om hun pand voor enkele maanden tot maximaal een jaar te verhuren aan een initiatiefnemer van bijvb. een pop-up store of restaurant, omdat tot nu toe in geval van betwisting met de huurder voor de Vrederechter, de herkwalificatie van dergelijke overeenkomst naar een handelshuurovereenkomst (van minimum 9 jaar) volgens de federale Handelshuurwet van 30 april 1951, een reëel gevaar vormde.

De belangrijkste bepalingen van het decreet zijn de volgende:

Het toepassingsgebied van het decreet is beperkt tot:

  • ‘handelshuurovereenkomsten’ volgens dezelfde definitie als de federale handelshuurwet;
  • betreffende een onroerend goed gelegen in Vlaanderen;
  • afgesloten vanaf 1 september 2016;
  • met een duurtijd van minder dan één jaar (en die net daardoor van het toepassingsgebied van de eigenlijke Handelshuurwet zijn uitgesloten; art. 2, 1° Handelshuurwet).

Deze overeenkomsten eindigen op drie manieren:

  • van rechtswege (lees: automatisch) op hun einddatum, zonder dat er een opzegging nodig is en zonder recht voor de huurder op huurhernieuwing. De huurovereenkomst kan wel in onderling akkoord schriftelijk, meerdere malen en enkel onder dezelfde voorwaarden worden verlengd, zolang de totale duurtijd maar een jaar niet overtreft. Van zodra dat wél gebeurt valt de overeenkomst automatisch onder het toepassingsgebied van de Handelshuurwet.
  • door een opzegging door de huurder eender wanneer tijdens de huurperiode, doch mits het respecteren van een opzeggingstermijn van één maand en dit per aangetekende brief of gerechtsdeurwaardersexploot.
  • vroegtijdig in onderling akkoord tussen partijen doch (enkel) schriftelijk (desgevallend om daarna een nieuwe handelshuurovereenkomst van negen jaar af te sluiten).

Ook de nieuwe eigenaar ingeval van een verkoop of een schenking van het gehuurde goed, moet voormelde beëindigingswijzen respecteren en kan de huurder niet zonder meer uitzetten, op voorwaarde evenwel dat de huurovereenkomst geregistreerd werd. (Dit zal in de praktijk gebeuren op initiatief van de huurder, nu het decreet de verhuurder niet oplegt het huurcontract te registreren en deze dat dan allicht ook niet zal doen).

Overdracht van huur en onderhuur door de huurder zijn ten allen tijde verboden.

Alle belastingen (doch niet de kosten voor de nutsvoorzieningen) worden geacht in de huurprijs inbegrepen te zijn (onroerende voorheffing, gemeentelijke belastingen, etc.).

Voor verbouwingen aan het gehuurde pand door de huurder, geldt een gelijkaardige regeling als de Handelshuurwet doch met kortere periodes.

Webshop - Alternatieve geschillenbeslechtiging

Webshop - EC-Platform alternatieve geschillenbeslechtiging voor onlineconsumentenhandel (ODR) online

Sedert 15 februari 2016 kan u als consument en als ondernemer met geschillen omtrent online aan- en verkopen terecht op de website van de Europese Commissie (via de portaalsite ‘Uw Europa’):

https://webgate.ec.europa.eu/odr/main/index.cfm?event=main.home.show&lng=NL

Dit als rechtstreekse gevolg van de inwerkingtreding op 9 januari 2016 van de EU verordening ODR consumenten nr. 524/2013.

Via deze interactieve website hebben consumenten en ondernemers de mogelijkheid om kosteloos klacht in te dienen over online consumentenkopen door het invullen van een in alle officiële talen van de instellingen van de Unie beschikbaar elektronisch klachtenformulier.

Het ODR platform speelt de klacht dan door naar de zogenaamde ADR-entiteit (wat staat voor : Alternative Dispute Resolution) die bevoegd is voor het betrokken geschil.

De regelgeving die aan de oorsprong ligt van dit ODR-platform is de EU-verordening nr. 524/2013 de zgn. verordening ODR consumenten die op 9 januari 2016 in werking is getreden.

Webshops, maar ook onlinemarktplaatsen binnen de EU (onlineplatforms die ondernemers in staat stellen hun producten en diensten aan consumenten ter beschikking te stellen) moeten vanaf die datum op hun websites een aantal bijkomende vermeldingen bevatten nl.:

  • een elektronische link naar het ODR-platform;
  • hun e-mailadres, zodat de consumenten een eerste contactpunt hebben.

 

Diezelfde informatie moet ook in mailings staan waarmee goederen en diensten aan consumenten worden aangeboden, alsook in algemene verkoopsvoorwaarden voor online verkopen en in dienstverleningscontracten.

Grijp dus deze gelegenheid aan om uw website en uw verkoopsvoorwaarden niet alleen in overeenstemming te brengen met deze nieuwe Europese regelgeving maar ook met de Belgische wetgeving, zoals het Wetboek van Economisch Recht die eveneens in bepaalde publicatieverplichtingen voorziet en daaraan soms zware sancties koppelt.

Factuurvoorwaarden – schadebeding consumenten (B to C)

controleer uw schadebeding als u handelt met consumenten

Volgens artikel VI.83.17° WER is een beding in een overeenkomst :

  • gesloten tussen een onderneming en een consument;
  • dat ertoe strekt het bedrag vast te leggen van de vergoeding verschuldigd door de consument die zijn verplichtingen niet nakomt;
  • zonder in een gelijkwaardige vergoeding te voorzien ten laste van de onderneming die in gebreke blijft;

 

onrechtmatig en daarmee meteen ook nietig.

Deze bepaling viseert in het bijzonder het zogenaamde ‘schadebeding’ dat in praktisch alle factuurvoorwaarden te vinden is en dat voorziet in een forfaitaire schadevergoeding (meestal uitgedrukt als een percentage van het gefactureerde bedrag), voor het geval de klant zijn contractuele verbintenissen niet nakomt, in het bijzonder wanneer die zijn factuur niet of niet tijdig zou betalen.

Welnu, dergelijk bedingen zullen (anders dan in B to B verhoudingen) niet ingeroepen kunnen worden tegen consumenten, tenzij er in de voorwaarden tevens een ‘gelijkwaardige’ (en dus niet noodzakelijk dezelfde) schadevergoeding voorzien is voor de onderneming voor het geval deze in gebreke zou blijven.

Doet u als ondernemer zaken met consumenten (dat is ieder natuurlijk persoon die handelt voor doeleinden die buiten zijn handels-, bedrijfs-, ambachts- of beroepsactiviteit vallen) dan moet u er dus over waken dat u in uw contracts- en/of factuurwaarden ook in een financiële sanctie voor uzelf voorziet, wil u hetzelfde kunnen doen met uw klanten.

Het spreekt voor zich dat deze denkoefening vaak niet makkelijk zal zijn maar het loont alleszins de moeite de oefening te maken ook als u daar creatief voor moet zijn (bijvb. wat is een ‘gelijkwaardige’ sanctie en welke verbintenissen zijn sanctioneerbaar als die sterk kunnen variëren van overeenkomst tot overeenkomst?).

Vennootschappen - één- of meerhandtekeningsclausules

controleer de statuten van uw klant-Nv op een- of meerhandtekeningsclausules

Een naamloze vennootschap wordt voor haar contacten met derden in principe vertegenwoordigd door haar raad van bestuur die collegiaal optreedt.

Art. 522 §2 van het wetboek vennootschappen voorziet evenwel de mogelijkheid deze algemene vertegenwoordigingsbevoegdheid in de statuten toe te wijzen aan één of meer bestuurders, die dan alleen of gezamenlijk de vennootschap kunnen vertegenwoordigen. Dergelijke statutaire één- of meerhandtekeningsclausule kan tegenstelbaar gemaakt worden aan derden middels publicatie in het Belgisch Staatsblad.

Als u de gepubliceerde statuten van uw klant - N.V. vóór de ondertekening van de overeenkomst niet napluist op dergelijke statutaire één- of meerhandtekeningsclausules, riskeert u achteraf van een kale reis terug te komen.

Als achteraf immers zou blijken dat bijvoorbeeld slechts één bestuurder de overeenkomst getekend heeft terwijl er een meerhandtekeningsclausule in de gepubliceerde statuten stond, dan is uw klant – N.V. niet door de overeenkomst verbonden.

Dit is des te erger wanneer u ondertussen uw verbintenissen uit de overeenkomst reeds bent nagekomen en de klant weigert te betalen. In dat geval riskeert u bekocht achter te blijven.

Webshop –  modelformulier herroeping

Webshop - voorzie een modelformulier voor herroeping in uw algemene voorwaarden!

Verkoopt u roerende goederen aan consumenten elektronisch via uw webshop, dan vallen deze verkopen onder de regeling van de overeenkomsten op afstand in boek VI van het Wetboek Economisch Recht (afgekort WER; artikel VI.45 e.v.).

Het is bekend dat de consument in dat geval over een termijn beschikt van 14 dagen om de goederen kosteloos te retourneren en terugbetaling te vragen (art. VI.47; bepaalde webshops gebruiken deze wettelijke verplichting zelfs als verkoopargument).

Minder geweten is dat deze herroepingstermijn met maar liefst 12 maanden verlengd wordt (dus 14 dagen + 12 maanden) wanneer de verkoper niet kan aantonen dat hij vóór (!) dat de verkoopovereenkomst tot stand is gekomen, de consument op een duidelijke en begrijpelijke wijze informatie heeft verstrekt over (art VI.48 juncto art. VI.45, §1, 8°) :

  • de voorwaarden, de termijn en de modaliteiten van de uitoefening van dat herroepingsrecht;
  • het  modelformulier voor herroeping als bijlage 2 bij het WER.

 

Het is dus belangrijk deze informatie inclusief het modelformulier, in uw algemene voorwaarden op uw website te voorzien en wel op die wijze dat de klant vooraleer hij zijn bestelling bevestigt expliciet de kans krijgt daar kennis van te nemen.

Zo kan bijvoorbeeld een pop-up scherm voorzien worden waarin de klant - vooraleer hij zijn bestelling bevestigt waardoor de verkoopovereenkomst tot stand komt- via een drukknop verklaart kennis genomen te hebben van de algemene voorwaarden op de website. Daarbij is het aangewezen dat er in het pop-up scherm zelf een link voorzien wordt naar deze algemene verkoopsvoorwaarden, zodat de klant alleszins de mogelijkheid heeft gekregen daar op een eenvoudige wijze kennis van te nemen.

Doet u dat niet dan riskeert u dat de klant na een jaar nog zijn aankoop annuleert en zijn geld terugeist.